No more “careless whispers” (RIP George Michael 1963-2016)

De zomer van 1984 was niet echt memorabel: veel neerslag, onweders en slechts enkele warme zomerdagen.

In mijn herinnering – ik was toen elf – is die zomer toch erg tropisch. Op een morgen in augustus hoorde ik een botergeile sax solo uit de radio knallen, (tot dan bestond mijn leven vooral uit beginnende en bevreemdende sex solo) gevolgd door de openingszin

“I feel so unsure, as I take your hand and lead you to the dance floor” . 

Van zelfzekere botergeilheid naar onzekerheid troef: het nummer beschreef op enkele seconden alle emoties van mijn aanstormende, puberale achtbaanrit. 17 was George Michael toen hij dit nummer schreef. Lichamelijk dan toch. Geestelijk leek hij een 30’er met al heel wat levenservaring op de teller, die ons tekstueel en visueel meenam naar een aflevering van Miami Vice, vol schaarsgeklede beauties, flitsende zeilboten, hippe privévliegtuigen, een leven in hotels in witte badjassen, zonlicht temperende jaloezieën als decor voor schaduwseks en nat vrouwenhaar dat wild rondgeslingerd werd. Ay Caramba! Ironisch genoeg kwam de eerste aflevering van Miami Vice ook in september 1984 op de buis…

Als 11jarige kon ik echter alleen maar dromen van dergelijke scenario’s. Als 17jarige ook. En als 25jarige, 30jarige, 31jarige, 32jarige… Enfin, U snapt het al.

Unsure en Dance waren vanaf dag één incompatibel. Wellicht was Unsure er eerst en dan gaat Dance niet zo goed. En een You komt dan helemaal niet in beeld. Tenzij meisjes die je raar bekijken als je danst als “in beeld” kan beschouwen. Ze probeerden zo snel mogelijk uit beeld te raken.

Na de intro komt het refrein, schuldbekentenis deel 1.

I’m never gonna dance again
Guilty feet have got no rhythm
Though it’s easy to pretend
I know you’re not a fool
I should’ve known better than to cheat a friend
And waste a chance that I’ve been given
So I’m never gonna dance again
The way I danced with you

Ik droomde van zo’n schuldbekentenis (ik was nogal Woody Allen – melodramatisch ingesteld). Jammer genoeg waren er enkele voorwaarden om zo’n bekentenis te kunnen inzetten: een You die je friend is en geen fool. Die You moet je dan cheaten. Dus een chance wasten. Het enige dat al snor zat, waren de feet met no rhythm. Hier had George het even mis: om no rhythm te hebben, moeten je feet niet noodzakelijk Guilty zijn. Kijk naar mij en “Quod erat demonstrandum”

Het blijft hoe dan ook een geweldig zin Guilty feet have got no rhythm. De schuld en de alles verlammende boete. De “mythe van  Sisyphus”  anno jaren 8o. De cheaters, die hun hele leven ritmeloos op de dansvloer moeten vertoeven. Hun Guilty feet als moderne stigmata: gebrandmerkt voor het leven. No You’s for You…

De tweede strofe is universeler en pessimistischer: tijd heelt niet alle wonden.

Time can never mend
The careless whispers of a good friend
To the heart and mind
Ignorance is kind
There’s no comfort in the truth
Pain is all you’ll find

Ook niet de careless whispers; het onvoorzichtig gefluister. Het bedrog dat toch uitkomt. Gefluister onderdrukt de kracht van de stem, maar niet de impact van de woorden. De daden. Onwetendheid dan maar? De ignorance is bliss?  Om hart en geest te sparen?

Had ik maar… De pijn van de waarheid maakt het slikken soms erg moeilijk.

Fase 3: schuldbekentenis deel 2: het emotionele heen en weer geslinger, de woede, het zelfmedelijden, de ontkenning…

Tonight the music seems so loud
I wish that we could lose this crowd
Maybe it’s better this way
We’d hurt each other with the things we want to say
We could have been so good together
We could have lived this dance forever
But now who’s gonna dance with me
Please stay

Now that you’ve gone
Now that you’ve gone
Now that you’ve gone
Was what I did so wrong
So wrong that you had to leave me alone?

Het als als als… verhaal.

Levenswijsheid in 5 minuten. De meeste psychologen denken daar jaren over na, schrijven er dikke boeken over en rekenen 100€ per consultatie aan. En dat zonder botergeile sax solo, nat haar enz.

Merci George,  om gedurende bijna 40 jaar veel meer te zijn dan een wake me up before you go go. Een compagnon de route voor geest en lichaam.

RIP George Michael (1963-2016)

 

 

 

 

 

Het Wij-Zij gevoel

Wat we vandaag moeten bereiken, is de onwetendheid een stapje voor zijn. Aanslagen als die van 22 maart versterken die onwetendheid alleen maar. Vaak vertrekken we we al vanuit een stereotiepe, onvolledige of ronduit verkeerde redenering en hebben we weinig nodig om die redenering bevestigd te zien. De ” zie je wel”, “Ik wist het”, “Het zijn altijd dezelfde”, “Wij niet, maar zij wel” vliegen ons om de oren. Uitspraken die geen moeite kosten, maar zeer veel impact hebben. Ze kunnen verwoestend zijn voor individu, groep of samenleving.

Want wat zie je, weet je? Wie zijn dezelfde, wie de wij, wie de zij? Hebben we daar al eens grondig over nagedacht? Of tenminste de moeite gedaan om erover na te denken?

Kennis is macht en kennis in handen van enkelen creëert al te vaak onmacht. Kennis is essentieel. Is het dan noodzakelijk dat we generaties superstudenten met vette diploma’s afleveren. Misschien. In de eerste plaats moeten jongeren hun plaats vinden in de maatschappij en kritisch genoeg de wereld instappen om de “ik wist hets”, “de zie je wels” enz. het vuur aan de schenen te leggen. Superstudenten ja, maar superstudenten die voor openheid, dialoog en respect gaan en staan. De vette diploma is bijzaak.

Wij-Zij; is dat wel zo slecht? Het gaat er maar om hoe je dit invult. Een beetje zoals je religie of non-religie invult of zelfs aanvult. Eigenlijk is het misschien wij-zij, maar niet zoals we dit traditioneel ervaren. Het gaat niet om katholieken versus protestanten, moslims versus christenen, vrijzinnigen versus orthodoxen. Vandaag moeten WIJ allemaal tot het besef komen dat respect, verdraagzaamheid, openheid en dialoog in ELKE levensbeschouwing, religieus of niet, essentieel zijn.  Dit zijn WIJ. Degenen die voor terreur, onvrijheid enz. staan; dat zijn ZIJ.

De ondraaglijkheid van het recidief ovariumcarcinoom

Today is gonna be the day that they’re gonna throw it back to you. 

Oasis, Wonderwall.

Het nummer dat weerklonk uit het aan elk ziekenhuisbed bengelende, onwezenlijke, multifunctionele bel/radio/TV/lichtknopachtige ding, toen de dokter vertelde dat het kanker was. Dezelfde kanker als 30 jaar geleden. Een recidief ovariumcarcinoom, zei ze. Een waar mastermind; 30 jaar niets van je laten horen en dan plots toeslaan. Chapeau.

Gefeliciteerd, klootzak!

R-E-C-I-D-I-E-F. Dat begreep ze niet. Een groot deel van je leven probeer je alles te benoemen, onder woorden te brengen, maar op een dag ga je ten onder aan die woorden. Ze worden groter. Groter dan ziektes. En dan ben je meestal verloren.

Verloren waren wij ook een beetje, mijn broer en ik. Dat waren we eigenlijk altijd al. Maar als je opeens samen in een lift staat, op weg van verdieping 1 Neurologie, naar verdieping 5 Oncologie, dan valt het stil. De lift zoeft verder, maar zelf druk je de noodknop in. Het hoeft eventjes allemaal niet meer. En wij spelen maar een bijrol.

Verdieping 5 was een serieuze upgrade. In ziekenhuizen geldt het omgekeerd evenredig verband: als het leven daalt, stijgt het comfort. Geen woord zei ze. Ze wentelde zich in een foetushouding. Op zoek naar wat troost. Troost die wij haar niet konden bieden.

Alsof ze zoveel mogelijk afstand wilde creëren tussen haar begin en haar einde. Zich zo klein, onschuldig en onbetekenend mogelijk maken; hopend dat de dood haar niet opmerkte en voorbij wandelde. Of slechts een schouderklopje of knipoog gaf in de zin van: ik kom gewoon even dag zeggen. Nog nooit voelde ik zoveel kilte in een oververhitte ziekenhuiskamer.

Toen ik haar de volgende dag terugzag was de port-a-cath – nog zo’n groots woord – al geplaatst en de chemo’s besteld. We moesten alleen de leveringsbon nog tekenen. Ik maakte een min of meer verplichte afspraak met de oncologe om te bespreken wat de “opties” nu waren.

Een assistente begeleidde me naar een spreekkamer. “Neemt U plaats, de dokter komt zo bij U”. Ze laat me achter met koffie, folders over “leven en omgaan met kanker” en wat verjaarde tijdschriften waaronder “Feeling” en “Goed Gevoel”. I kid you not.

Ondanks haar gevorderde leeftijd – 76 –  was chemo een meer dan beredeneerde keuze. Zonder: 6 maanden. Met: 2 tot 5 jaar. Alsof ik in de frituur stond. “En voor U meneer?”. Een kanker met of zonder chemo? Met! En doe er nog 4 morfinepleisters en een serumke bij. We moesten haar zeker proberen te overtuigen voor het “met” verhaal, benadrukte de oncologe nog.

“Tja, wat moet, moet zeker”? Meer woorden maakte ze er niet aan vuil. Was het uit liefde voor het leven of angst voor de dood? Of onwetendheid, de “go with the flow” mentaliteit van haar generatie?

Zo gezegd, zo gedaan. De chemo’s kwamen en de rest moest wijken. Chemo’s zijn pure ironie; je pompt leven bij, maar kotst en schijt de ziel uit je lijf. Je dehumaniseert om te leven. Als buitenstaander word je net meer mens. Je doet dingen waarvan je dacht dat je ze nooit zou doen; je veegt, poetst, ververst en ledigt het lichaam van een ander. Oncologen zijn reductionologen. Ze lappen op wat nog leefbaar is. Niet meer, niet minder.

Toen de chemo’s stopten, kwamen de pillen: pillen om de gestage neergang van de tumormarkers te consolideren. Helemaal uit Amerika. Als draagster van het BRCA-1 gen, artiestennaam “Angelina Jolie Gen” , mocht mijn moeder deelnemen aan een veelbelovend testonderzoek. Recht op extra’s dank zij een beetje Angelina. Veel vrouwen zouden in de rij staan voor een beetje Angelina, behalve in dit geval: een vergiftigd geschenk. Letterlijk zou blijken.

De pillen deden hun werk prima. Het ovariumcarcinoom, het mastermind was even kleurenblind. Maar in al hun enthousiasme zorgden ze voor heel wat collateral damage: dagelijks hoofdpijn en misselijkheid, vermoeidheid en maandelijkse bloedarmoede, gevolgd door een tankbeurt in het ziekenhuis. Dosissen werden herbekeken, rustpauzes ingelast, maar de pillen wilden van geen wijken weten: it’s our way or the highway.

We gingen voor levenskwaliteit, maar kregen enkel leven. En dan wordt het tijd dat hun wegen scheiden: het leven en de kwaliteit. Vanuit de liefde kies je resoluut hartstocht, emotie, passie. Met de dood in het vizier moet je soms noodgedwongen voor het verstand gaan. De tijd loslaten. En dat doe je: vol hartstocht, emotie en passie…

 

 

 

 

 

 

De opvoedkundige draaglijkheid van AC/DC

Eind 2014 kondigde AC/DC het nieuwe album en de nieuwe tour aan: Rock or Bust! Het aftellen kon beginnen. Eerst zou de enorme klip van de online ticketverkoop nog met succes genomen moeten worden:17 januari 2015 vanaf 9u. Met een drietal andere oude rockers werden enkele werkvergaderingen ingelegd. Programmapunten: aankoopstrategie tickets (opstelling notebooks, tijdstip inlog, smartphonecommunicatie, inwerken en training assistenten…), vervoer, determinatie leeftijdgrens oplopend en aflopend (lagere school?, middelbaar?, rusthuis?…), kleding (short en sandalen nog acceptabel?, originele haarkleur of niet, petten /potskes / hoeden / hipster / old school ). Na enkele verhitte discussies kwam er een compromis uit de bus: rocker H.S. zou het speerpunt van de ticketaanval worden, rockers T.I en M.S. zouden vanuit de tweede linie de doorbraak proberen te forceren, leeftijdsgrens werd minimum 8, kledingkeuze vrij, met risico op rake opmerkingen over te grote petten, witte sokken, te hippe kapsels enz.

Voor mijn oudste zoon, bijna 13, zou het zijn eerste concert ooit worden. Vorig jaar wilde ik hem meenemen naar Pukkelpop, maar de aanblik van de imposante site – waar we wekelijks passeerden – deed hem terugkrabbelen: hij zou nog een jaartje wachten. Nu was hij klaar voor Dessel en AC/DC. Hij twijfelde geen moment toen ik hem met vuistgebaar toepasselijk toebrulde: Are You Ready? Ok, misschien dat het voortdurend afspelen en zingen van AC/DC nummers thuis en in de auto gedurende 12 jaar hem een klein beetje in een bepaalde richting geduwd hebben, maar kom: elke vader heeft zijn beperkingen…

Als kleuter was hij duidelijk gefascineerd door de schreeuwstem van zanger Brian Johnson. “Die meneer moet toch pijn hebben?” Hij kon het niet echt plaatsen, maar zolang hij er geen nachtmerries van kreeg, zag ik geen reden om over te schakelen op het lichtvoetige werk à la Bon Jovi. Met de naam worstelde hij ook: terwijl de nummers gemakkelijker te herkennen zijn dan de basiskleuren, gaat de groepsnaam er moeilijker in. AC/DC noemde hij de eerste jaren “Die van die grote bel” (de intro van het nummer Hells Bells begint met klokkengelui voor de onwetenden). Voorlopig blijft hij vooral vasthouden aan de Brian Johnson – periode van AC/DC: iets meer gelikte riffs, meezingrefreintjes en veel, héééél veel nummers met het woord “Rock” in de titel (21 in het totale oeuvre) Jeugdige fun: gewoon meebrullen en als je het woord “Rock” af en toe laat vallen ben je al een kenner. De meer rauwe, donkere, bluesy rockperiode met Bon Scott als zanger leert hij wel op latere leeftijd appreciëren, als met het vorderen van de leeftijd ook de lasten (vrouwen, geld, werk…) wat toenemen, maar dan nog: Hell ain’t a bad place to be

6 juli 2015. Ik ben de tel kwijtgeraakt. De zoon heeft gedurende een week bijna dagelijks gevraagd “wanneer we juist vertrekken, hoe laat het begint, wie er nu nog allemaal meegaat, waar het ergens is, of ze dat, dat en dat gaan spelen, of hij zijn pet zou opzetten enz. Beetje zenuwen? Ik denk het wel.

Rond de middag verlaten we de jaarlijkse familievakantie voor een dag en een nacht om onze “vader-zoon-AC/DC-dag” te starten. In de auto: AC/DC op. Ik geef hem zijn oordopjes alvast en leg uit hoe hij ze moet inbrengen. “Moet dat echt ?”. Voor de onwetenden: als je bijna dertien bent, wil je “cool” overkomen en alles wat je ouders zeggen en onbekend is, is per definitie “uncool”. Probeer maar eens het principe van “stopkes in uw oren steken omdat ge anders gehoorschade kunt hebben en het U op latere leeftijd gaat beklagen dat ge het niet gedaan hebt” op een coole manier in te kleden voor een hormonale puber. Als die stopkes belachelijk zijn, blijft hij nog liever thuis, geloof me.

Dan maar de weg van de ondervinding: ik laat hem de dopjes insteken en zet vervolgens het volume van de autoradio op maximum. Ik laat hem even wennen en gebaar vervolgens om ze uit te nemen. Dit maal 10 roep ik nog. Zijn blik zegt genoeg: de boodschap is aangekomen. Gaandeweg de rit neemt zijn zelfvertrouwen ook weer toe en is hij duidelijk klaar voor Rocking all the way

Rond 16u30 staan we met ons ticket in de hand aan de ingang van het festivalpark te Dessel. Het terrein is enorm: helemaal aan het einde zie je een klein, gehoornd podium staan. Alsof het van lego is. De zelfzekerheid is ook weer wat kleiner geworden: de grijze rockers, vuige tatoeages, schrale pinten, sletterige oma’s en dronken deernen zijn allemaal een beetje te veel. Dan maar de aandacht afleiden naar de stand waar ze t-shirts verkopen. Zijn oog valt op een opvallend exemplaar met helrode tekst: In Rock We Trust Tussen de AC en de DC staat een kanon, verwijzend naar het nummer For those about to rock Hij wil het en trekt het ook onmiddellijk aan. Trots en zelfzeker genietend. (wel nog even fluisterend checken of het echt niet te groot is en of hij er niet belachelijk uitziet ;-).

IMG_8471[1]

De cirkel is rond, denk ik. Als 12 jarige wilde ik graag een t-shirt van AC/DC. De kans dat ik met mijn vader naar een rockconcert ging, was echter even groot als de kans dat u na het lezen van deze zin spontaan de sirtaki begint te dansen. Wat niet echt een kans was, maar een certitude, was het wekelijkse bezoek aan de zondagsmarkt in één of andere Limburgse stad. Boeiend, hoor ik U denken, maar toch keek ik er stiekem naar uit: het zou de enige mogelijkheid zijn om een AC/DC T-Shirt te bemachtigen. Eén van de kraampjes verkocht namelijk t-shirts: van Madonna tot Iron Maiden. Eigenlijk drukte de marktkramer ze ter plaatse: vers van de pers. In een map staken tientallen sjablonen waaruit je kon kiezen. Met een soort warmtepers drukte hij de print dan op je shirt. Zeer ambachtelijk, zoals je het op een markt verwacht. Ik ging resoluut voor een zwart t-shirt met een gigantisch gouden kanon en letters AC/DC en For those about to rock Mijn god wat was ik fier, net als mijn zoon: ik was eindelijk een rocker!

Toch is er een verschil: de kwaliteit. Mits rekening houdend met de wasvoorschriften zal mijn zoon nog jaren kunnen genieten van zijn shirt. Kwaliteit en techniek staan niet stil. Mijn shirt heeft het niet zo lang uitgezongen. Na een paar maanden was er al een letter afgevallen en stond er opeens: “For hose about to rock”. Toch bleef ik het dragen, zolang AC/DC maar leesbaar bleef. Pas jaren later snapte ik dat “hose” klinkt als “hoes”. Gelukkig dat “ghetto slang” niet bekend was in onze kleinburgerlijke katholieke dorpsparochie. Ik zou wellicht met shirt en al als satansgebroed op de brandstapel gegooid zijn.

Wachten. En nog eens wachten. Niet de favoriete bezigheid van de jeugd. Naast mijn zoon zijn er nog twee jongetjes van rond de acht jaar. Om de tijd te doden stel ik voor een spel te spelen: je zegt een dier en de volgende moet met de laatste letter een nieuw dier zeggen enz. Ok, zegt de jongste, maar kunnen we dat niet met nummers van AC/DC doen? Geweldig…

Naarmate de voorprogramma’s vorderen schuiven we wat dichter naar het podium. Onderweg wandelen we voorbij een groot videoscherm waar constant eighties en nineties hardrockclips worden afgespeeld: Van Halen, Def Leppard, Alice Cooper enz. Dat betekent ook: veel wriemelende halfblote madammen. De concertorganisatie heeft naast het scherm zelfs voor “levend materiaal” gezorgd. In een soort open prefab stripbar – zelfs dit ontsnapt niet aan het prefabprincipe – wentelen twee stoeipoezen zich al dansend rond een paal. Laten we stellen dat de zoon zijn pas hier wat vertraagde en zijn ogen meer dan de kost gaf. Live playboy! Daar moesten wij vroeger weken voor sparen en dan een plan uitdokteren om aan een boekske te geraken. Ik moest net niet zijn mond terug dicht doen…

Stipt om 21u45 begint de traditionele openingsanimatie. Dit keer een maanlanding waarbij astronauten op een meteoor met vlammende letters AC/DC stuiten. De meteoor schiet de ruimte in en scheert rakelings langs enkele showattributen – de opblaaspop van Whole lotta Rosie , de bel uit Hells Bells  en een satelliet waaruit de openingsriff van Back in Black galmt. Bij impact met de aarde: een ontploffing en het eerste nummer Rock or Bust.  Een blik naar de zoon zegt voldoende: de mond valt nu helemaal open van verbazing. AC/DC beats half naked dance chicks.

We zijn vertrokken voor een 2 uur durende rockshow waar de ene na de andere hit de revue passeert. De eerste nummers tast de zoon nog even af: eerder ingetogen schudden op de riffs, maar bij Thunderstruck zit hij al op de schouders van een struise, gespierde vriend, “rockhanden” ritmisch naar het  podium zwierend op de tonen van “THUNDER”, nananananananana….

IMG_8490[1]

Tegen 23u zet Angus For those about to rock in, het laatste nummer. De kanonnen verschijnen op het podium en als Brian “Fire” schreeuwt, zwieren de zoon en ik onze handen in de lucht en schreeuwen: “We salute You”. En of we do!

Jammer genoeg duurt het wachten op de parking langer dan het eigenlijke concert, maar ook hier genoeg afleiding – lees dronken mensen – om de tijd te doden. Om 3u30 liggen we in ons bed, voldaan.

De weken na het concert heeft de zoon tegen iedereen ronduit zitten vertellen hoe geweldig het wel niet was. Hij heeft er duidelijk van genoten, net als ik. Voor mij waren het eigenlijk twee shows: de band en de zoon.

Hij heeft mij ook al ontelbare keren bedankt dat hij mee mocht. Nu ik erover nadenk: zelfs toen hij een PS4 kreeg, heeft hij me niet zo uitvoerig bedankt. Er is nog hoop voor de jeugd: rockende knarren tussen 58 en 68 dwingen nog respect af.

And remember: Rock and roll ain’t noise pollution

De ondraaglijkheid van “Mr. B zingt voor senioren”

Geen rustig gekeuvel en koffie in de cafetaria van het woonzorgcentrum. De krulspelden hebben overuren gedraaid en grijze permanenten vieren hoogtij. We kwamen voor koffie, mijn moeder en ik, we krijgen “Mr. B  zingt voor senioren .Een gezellige namiddag met Mr. B”.

Uitverkocht. Overvol. Plopsaland voor senioren; geen buggy’s en kinderwagens, maar hordes rolstoelen en rollators staan in een hoekje gepropt. Het zijn de kinderen of kleinkinderen die nu een oogje in het zeil houden, met regelmaat vragend of oma of mama niet naar het toilet moeten of een koekje of drankje willen.

Mr. B heeft zich danig voorbereid. De tafels, gevuld met laptops, luidsprekers en kaften, staan strategisch in een U-vorm.  Die hard fans krijgen geen kans. Als jonge rockgod had hij wellicht security nodig, maar de groupies van weleer raken vandaag geen tafeltje meer over zonder hulp of fractuur. Een verscheurende keuze: hart of botten breken. Een blik op het slagveld der senioren verraadt diversiteit: bij sommigen swingt het hart nog, bij anderen enkel het lijf. Dat is gewoon zo. Dat is geen keuze.

Vlak naast het podium van Mr. B is de VIP-ruimte: één stoel. De dame die erop zit, houdt de zaal nauwlettend in de gaten. Ze heeft net dat ietsje meer dan de rest: ietsje meer vrouw of vriendin van, ietsje meer fond de teint, ietsje meer corrigerend ondergoed. Een vrouw van de buitenwereld. Een vrouw van “beyond the wall”.

Mr. B laat ondertussen de gezelligheid beginnen en voor ik het goed en wel besef ben ik in een lucht vol hemelsblauw my way uit een vliegmachien gesprongen met zeven anjers en zeven rozen. Ik sta achter de rolstoel van moeder. Meestal zwijgt ze, maar soms hoor ik ze toch stilletjes meezingen. Haar haar heeft ze verloren aan de chemo, maar verder is die blijkbaar nog niet geraakt. De eenvoudige rijmschema’s van jeugdhelden Will en Eddy kan ze nog netjes aan elkaar breien.

Het haar van Mr. B is ook niet meer wat het geweest is. Eigenlijk is het er helemaal niet meer. Zijn witte hemd met lederen ondervest vormt de nieuwe eyecatcher. Je herkent onmiddellijk de hand van Madame fond de teint. Haar fiere glimlach is nog net zichtbaar onder haar gezalfd gelaat. Soms merk je dat ze zich volledig wil laten gaan, net als haar B, die elk nummer begeleidt met een arsenaal aan gebaren. U mag drie keer raden hoe hij “ik hou van jou” of “ik denk aan jou” uitbeeldt. Inderdaad: vinger, lichaamsdeel, slachtoffer. Gelukkig zingt hij “I wanna sex you up” van Color me Badd niet. God weet wat hij dan de zaal in had geschoten.

De gebaren worden ook gekopieerd door het publiek. De coördinatie laat bij het gros echter te wensen over: vaak scheelt het een fractie of iemand verliest een oog of gebit door de breed uitzwaaiende arm van een buurvrouw. Een knokpartij kan je hier best vermijden: broze botten en geen security. Alhoewel: door de dementie valt het allemaal best mee. Zelfs al deel je een (ongewilde) muilpeer uit: een minuut later weten dader en/of slachtoffer het toch niet meer.

Langzaam (hier een understatement) verlaten de senioren schuifelend hun stoel. Steunkousen worden strak getrokken en danspasjes ingezet. Sommige dames fleuren helemaal op, net zoals hun kleed. Om één of andere reden heeft blijkbaar iemand ooit beslist dat 90% van de kleding voor bejaarde dames bloemmotiefjes moet hebben. Ofwel is er ooit een massale overproductie van tafelkleedjes geweest en wist men geen blijf met het overschot. Maar ik bekijk het positief: zo triest als een woonzorgcentrum ook mag zijn, in dit cafetaria waan ik me ergens in de velden van de Provence.

Mr. B kondigt het voorlaatste nummer aan. Eén van de grijze duifjes achterin de zaal schiet in actie. Ze zet haar rollator in 2de versnelling en haast zich naar de U-tafels: ze wil duidelijk nog een nummer aanvragen. Haar rollator schokt en piept. Tegen dit tempo lijkt ze haar doel pas te bereiken als Mr. B al aan het inladen is. Maar ze houdt vol. Uiteindelijk raakt ze er. Mr. B buigt zich vragend naar haar toe. Stilte. Wellicht is ze door de lange rit vergeten wat ze eigenlijk kwam doen. Ze mompelt nog wat, maar Mr. B begrijpt haar niet. Zelfs Madame fond de teint brengt geen soelaas. Bovendien is er geen tijd meer. Verpleegsters staan klaar om het oude grut terug naar de kamers te brengen. Schema’s en planning zijn hier erg erg rigoureus: koffie en pampers moeten op tijd ververst worden, pillen gedraaid en soaps bekeken. Geen nood: mijn moeder heeft genoten. Haar stilte heeft het verklapt. Ik moet het zelfs niet vragen.

Terwijl ik haar rolstoel in beweging zet, passeert de grijze duif. “Welk nummer wou je nu graag horen, Maria” vraagt een personeelslid. “Verloren hart, verloren droom van Johnny White”, zegt ze.

Wat anders, denk ik…

De steek van de cultuurbij

Met verbijstering deze open brief van Matthias Schoenaerts gelezen. Een ode aan, maar tegelijkertijd een reactie op een recente biografie over zijn vader.
De pen van Schoenaerts zigzagt vol passie door het leven van zijn vader. Nu eens markeert hij het genie, dan de ziekelijke waanzin, vervolgens het huwelijk van die twee. De ene keer een droomhuwelijk, de andere keer een vechtscheiding.

Het leven van Julien Schoenaerts was blijkbaar een leven van keuzes; keuzes die hij niet altijd kon maken of wilde maken. Kiezen tussen het artistieke of het vaderlijke, het conformisme of het non-conformisme, tussen leven of niet-leven.

Vaak bleek kiezen zelfs geen optie: het moest zo zijn, of je wilde of niet. Het moet zo zijn… Je associeert onmiddellijk met conformisme, regelneverij, veralgemening, eenheidsworst. Niet in de ogen van Julien: voor hem waren zijn keuzes – bewust of onbewust – net de norm. En daar ging hij voor: 8 minuten stilzwijgend op het podium paraderen om je tekst te herinneren, volledig blauw geschminkt naar de opnames omdat hij vond dat zijn rol blauw uitstraalde,…

De mooiste anekdote is het verhaal van ‘zijn bij’. Een allegorie van de essentie van cultuur (in mijn ogen)

Matthias beschrijft het verhaal van een bij die binnengevlogen kwam tijdens het repeteren van een tekst in Amsterdam. Julien koesterde het beestje, gaf het honing en herhaalde het proces dagenlang: steeds kwam de bij terug. Terug in België probeerde hij het nog een keer en ja hoor: de bij was er weer. Volgens Matthias was zijn vader ervan overtuigd dat het niet “een” bij was, maar “zijn” bij.

Het is net de overtuiging die cultuur nodig heeft: nu en dan de kans en de vrijheid krijgen om je eigen weg in te slaan; als toeschouwer, maar ook als kunstenaar. De kans om “jouw” bij te creëren en die weer in de wereld los te laten. “Jouw” bij een eigen nest laten creëren, wars van het vertrouwde raam.

Deze kille tijden – niet alleen de energie kampt met een nakende blackout, ook de geest dreigt uit te doven –  hebben behoefte aan Julien Schoenaertsen: mensen die hun persoonlijk conformisme absoluut niet als non-conformistisch ervaren en ervoor gaan. Mensen die de kans krijgen om van “hun bij” , “jouw bij” te maken om het conformisme een dikke steek te zetten. Zonder bekommerd te zijn over de opbrengst van de honing…

 

De ondraaglijkheid van de Scouts

Zondag, bezoekdag. Sinds gisteren valt dit voor mij niet langer onder de categorie holle frasen; vanaf heden is het de harde realiteit. Geen zomervakantie meer zonder een autorit richting Ardennen: kind 2 promoveerde dit jaar immers tot Scout in hart en nieren.

Zelf heb ik totaal geen affiniteit met jeugdbewegingen, alhoewel ik enkele jaren bij de Chiro zat. Ergens begin jaren ’80 werd er een foto genomen van de hele groep ter ere van het weet ik hoeveel jarig bestaan. Onlangs zag ik die foto terug in een weet ik waarom ze het ooit maken heemkundige publicatie over de geschiedenis van onze parochie.Daar sta je dan: voor eeuwig deel uitmakend van een historisch hoogtepunt, zonder enige noemenswaardige herinnering of bijdrage. Iemand als rode duivel Laurent Ciman moet zich ook zo voelen na het WK in Brazilië: geen noemenswaardige bijdrage buiten het lijfelijk aanwezig zijn. Bij hem werd de pijn wel enigszins verzacht door de tienduizenden euro’s premie. ik kreeg hoogstens een flesje cola.

Op de foto kijk ik nogal benepen. Bescheten eigenlijk; alsof ik net in mijn broek gedaan heb: chiro in buik en darmen. Herinneringen? Ten eerste: de straffen. Op je knieën zitten met armen kaarsrecht gestrekt en voortdurend met de handen knijpbewegingen maken. Ten tweede: de kampen waar ik nooit aan deelgenomen heb omdat ik niet durfde. Mijn oudere broer had één kamp gedaan en de bezoekdag veranderd in weendag: van de eerste tot de laatste minuut. Misschien dat ik daarom weinig zin had in avontuur.

Geen jeugdbeweging of groepsgevoel toestanden meer voor mij. Ik was meer “The Lone Ranger”, maar dan zonder de looks, cool masker, paard en Tonto. Mijn gevoel voor rechtvaardigheid was wel intact. Ik deed er niet echt iets mee, tenzij vanop een veilige afstand denken: dat is niet fijn, ook al een heldenstatus verdient. Veel Lone, weinig Ranger dus.

In mijn tienerjaren slopen de Scouts weer dichterbij. Niet dat sluipen één van hun kwaliteiten is: met hun “En de boom staat op de bergen” of “Ken je de historie van een oude Chinees” hoor je ze al van kilometers afkomen. Ze slopen figuurlijk dichterbij: de liefde kwam in de vorm van een Scout in hart en nieren. Eigenlijk vielen ze wel mee; vooral die ene, nu nog altijd trouwens.

Toen ze ermee kapte, beeldde ik me wel in dat ik haar had bekeerd. Dat dacht ik tot zondag, bezoekdag. De aanblik van het kampterrein activeerde het sluimerende scoutshart weer. Op een paar aaneensluitende velden tussen de bossen waren de Scouts erin geslaagd een nieuwe stad te sjorren. Indrukwekkend. Tip: als er door een ramp niets meer voorhanden is buiten bomen en touw, zorg dat scouts je beste vrienden worden. En vermeld aub. niet dat ik in deze tekst een beetje met ze lach.

Woorden als hudo, sjorren, jin en dropping vlogen heen en weer. Weet U trouwens dat kapoenen en welpen niet moeten koken, maar dat je vanaf de jong-verkenners zelf je keuken moet sjorren en zelf moet koken? Sjorren voor de leken: met touwen en boomstammen dingen bouwen. Even wat info terzijde. Zo wordt de tekst leerrijk en grappig. En door dat laatste ook hautain en arrogant.

Tussen de sjorpalen door kwam kind 2 aangestormd. Hij overbrugde het terrein in een nieuw persoonlijk record. Hoe dichter hij naderde, hoe treuriger zijn gezichtje werd. Niet dat wij slechte ouders zijn en de leiding hem met zwepen naar ons toe ranselde: zijn scoutshart is groot, maar na 5 dagen kamp was het mama-, papa en grote broerhart opeens wat groter. Hij had toch heimwee gehad, mompelde hij met zijn gezicht in mijn buik(je). Binnen enkele maanden hoop ik de haakjes weg te sporten.

De volgende uren waren weer als voorheen: ronduit vertelde hij over de tocht, het vastbinden van kapoenen, kampvuur in spé, wespen enz. Zijn benen leken een schatkaart vol krassen en lijnen. Het was weer kind 2 van tijdens het “normale” scoutsjaar: het kind dat na elke “vergadering” – ja beste scoutsleken, zo noemt men een namiddag bij de scouts – zijn enthousiasme over het naar een snoepje zoeken met je nat hoofd in een bak vol bloem uitschreeuwde. Elke week voortgestuwd door een bende geweldige gasten. Het enige wat ik op die leeftijd deed was in een donkere kamer naar Die by the Sword van Slayer luisteren. Chapeau.

Rond zes uur was de bezoekdag weer voorbij en langzaam maar zeker keerde kind 2 van de aankomst terug. Het afscheid zou moeilijk worden, voor hem en voor ons. Een attente leider had het in de mot en zorgde op gepaste wijze dat het scoutshart weer genoeg gevuld werd.

De terugrit was stil en een beetje ongemakkelijk. Och, die Scouts, dacht ik: ze blijven ondraaglijk. Vroeger omdat ze me irriteerden met hun luidruchtig gedoe en flauwe zever, nu omdat ze mijn zoon 10 dagen meenemen, de tijd van zijn leven bezorgen en een bezoekdag organiseren waar we het even moeilijk krijgen. Doe zo verder, zou ik zeggen…

Getekend,

Caravaggesk, uw nieuwe beste vriend in geval van rampen die enkel bomen en touwen sparen